Engels | Nederlands
De luxe van Java
Kalianda (Indonesie) naar Yogyakarta (Indonesie), 12-Jul-08 / 31-Jul-08
We zijn inmiddels alweer twee weken op het Indonesische eiland Java. De tijd vliegt en aan het einde van deze week vertrekken we alweer naar Maleisië. We dienen het land voor vier augustus te verlaten omdat dan ons 60-daags visum afloopt. In Maleisië hopen we een nieuw visum te kunnen regelen voor Indonesië en we gaan er vooralsnog vanuit dat het geen probleem zal zijn.

Het visumbeleid van Indonesië blijft onbegrijpelijk voor ons. De meest makkelijke manier om een visum voor Indonesië te krijgen is bij aankomst op één van de internationale luchthavens of enkele zeehavens. In dat geval wordt ‘on the spot’ een toeristenvisum voor dertig dagen afgegeven. Voor de meeste toeristen is dat voldoende, maar als je iets meer wilt zien dan bijvoorbeeld Java en Bali alleen, zul je toch echt langer moeten blijven. Een 60-daags visum is ook mogelijk, maar dan dien je het visum aan te vragen bij één van de Indonesische ambassades. En dan moet je nog goed zoeken ook, want niet elke ambassade geeft zo maar een 60-daags visum af. Het ergste is echter dat de toeristenvisums niet verlengbaar zijn. Dat betekent dat als je visum afloopt en je toch langer wilt blijven, je eerst het land dient te verlaten. Vervolgens kun je weer een 30-daags visum krijgen bij een aantal lucht- en zeehavens, of dien je opnieuw een 60-daags visum aan te vragen bij één van de ambassades. Door de toeristenbranche in Indonesië wordt daarom flink geklaagd over dit verscherpte visumbeleid. Het is niet erg gastvrij en door de enorme kosten die het in- en uitvliegen met zich meebrengt, zeker als je ver in de oostelijke provincies van Indonesië bent, blijven de meeste reizigers voor maximaal dertig dagen. Door deze beperkte tijd gaan de meeste toeristen alleen naar Java en Bali, waardoor de Indonesiërs die elders in het land van het toerisme afhankelijk zijn, dikke pech hebben. Maar daar zal de gemiddelde Indonesische politicus niet wakker van liggen, want die woont immers toch op Java.

Edwin en Ivonne op het Dieng Plateau
 

We hebben twee weken geleden Sumatra met gemengde gevoelens verlaten. Het eiland is zonder twijfel schitterend, maar het reizen was geen makkie. De afstanden waren gigantisch, de reisdagen lang en vermoeiend, en ook het eten was weinig divers. We zijn uiteindelijk blij dat we het gehele eiland per bus hebben doorkruist, maar zouden het wellicht de volgende keer anders doen. Zeker het zuidelijke deel van Sumatra is minder interessant waardoor we dat stuk wellicht zouden vliegen. In totaal hebben we ongeveer 2000 kilometer met de bus afgelegd in Sumatra, in ruim 90 bus-uren. Dat is maar iets meer dan 20 kilometer per uur gemiddeld! Nu we een paar weken in Java zijn beginnen we Sumatra meer en meer te waarderen. Het westelijke en centrale deel van Java dat we tot op heden hebben bezocht is minder mooi, het is er stervensdruk en de mensen zijn er iets minder vriendelijk. Wellicht heeft dat te maken met de grote aantallen toeristen die Java bezoeken. Vooral het aantal Nederlanders dat we tegenkomen is schrikbarend hoog. In sommige toeristische plaatsen bestaat het toeristenlegioen voor meer dan de helft uit Nederlanders. En dat zul je weten ook, want over het algemeen hebben de Nederlanders, of Hollanders zoals ze zich graag noemen, de grootste mond en laten ze graag horen dat ze er zijn. Maar we willen niet generaliseren hoor, want we ontmoeten af en toe ook hele aardige en leuke Nederlanders.

Tot op heden zijn we een beetje verbaast waarom er zoveel reizigers naar Java komen. Het eiland is mooi, maar niet spectaculair. Zeker niet het westelijke en centrale deel dat we tot op heden hebben bezocht. De natuur is voor het grootste deel verdwenen en vervangen door, eerlijk is eerlijk, pittoreske rijstvelden en andere landbouwgronden. Je ziet er echter weinig van vanuit de bus, omdat Java gekenmerkt wordt door zogenaamde lintbebouwing. Omdat iedereen aan de doorgaande wegen wil wonen, dat is immers de plaats waar je een winkeltje kunt beginnen, is er langs bijna alle wegen intensieve bebouwing. Dat komt de schoonheid van het eiland niet ten goede. De steden op Java zijn om te huilen. Zelfs een stad als Yogyakarta, waar zo’n beetje iedere toerist naar toe gaat, valt ons enorm tegen. De bezienswaardigheden zijn matig, de stad is overvol met stinkende en dampende voertuigen, en op elke hoek staat een irritante Batik-verkoper. Batik is een kledingstof die op een traditionele manier wordt gemaakt en geverfd op Java. Er zijn vele soorten designs verkrijgbaar die allemaal hetzelfde kenmerk hebben: ze zijn oerlelijk en oubollig! Wellicht ken je ze wel, het is de glimmende en vaak geelkleurige stof (een beetje een zijde uiterlijk) die in het westen vaak wordt gebruikt om bloezen te maken voor de wat oudere Opa’s onder ons. De Borobodur is er nog zo eentje. Het is een wereldberoemde en prachtige tempel, maar zo overlopen door buitenlandse toeristen en lokale picknickers, dat het letterlijk en figuurlijk moeilijk is er de schoonheid ervan nog te zien. Daarnaast hebben de bezoekers weinig tot geen respect voor dit religieuze monument. Men loopt er rond in korte broek, teenslippers and spaghettihemdjes en men beklimt de tempel op verboden plaatsen om een leuk kiekje te maken. Daarnaast wordt de tempel niet meer gebruikt door pelgrims voor religieuze activiteiten waardoor de sfeer eigenlijk helemaal verdwenen is.

Een respectloze toerist zit op de Borobodur ondanks de bordjes "niet klimmen".
 

Maar Java heeft ook zijn voordelen. Een groot voordeel is dat de faciliteiten er prima zijn. De wegen zijn goed, de afstanden makkelijk overbrugbaar, de hotels prima, het eten goed en treinsysteem fantastisch. En mooier nog, er zijn ook nog steeds hele mooie plaatsen die je kunt bezoeken op Java en waar maar een fractie van de toeristen naar toe gaan. Een voorbeeld daarvan is de werkelijk spectaculaire Krakatau vulkaan. Deze vulkaan der vulkanen is absoluut de moeite waard en is makkelijk te bezoeken als dagtocht vanuit Java, ook al behoort hij officieel tot Sumatra (zie ook de foto impressie over de Krakatau vulkaan). Een andere, door velen een gemiste kans, is het zogenaamde Dieng Plateau. Dit plateau dat op ruim 2000 meter ligt is één van de weinige plaatsen in Java waar je nog het echt traditionele Java van vroeger kunt zien. Het is een pittoresk plateau dat wordt gekenmerkt door prachtige vulkanische meren, sputterende kraters en wordt omgeven door vulkanische pieken. De supervriendelijke bevolking verdient haar geld met landbouwactiviteiten, en dan in het bijzonder met de aardappelteelt. Alle activiteiten in dit kenmerkende Javaanse landschap gebeuren er nog met de hand waardoor je regelmatig het gevoel hebt door een openluchtmuseum te lopen. Als de landarbeiders je zien lopen, stoppen ze even met de zware arbeid om je met een stralende lach toe te zwaaien. Daarnaast zie je her en der Geothermische installaties waarmee water door de vulkanische hitte van de aarde wordt omgezet tot stoom, waarmee vervolgens turbines worden aangedreven die stroom opwekken. Bezoekers die nog een beeld willen krijgen van het traditionele Java, zouden het Dieng Plateau echt moeten overwegen.

Maar goed, Java zit er voor ons voorlopig bijna op. Over enkele dagen gaan we terug naar Jakarta om vandaar uit te vliegen naar Georgetown in Maleisië. Daar hebben we een week de tijd om ons tweede Indonesisch visum te regelen. Zoals gezegd gaan we ervan uit dat het gaat lukken, want op negen augustus vliegen we weer terug naar Jakarta om nog een paar weekjes op Java en Bali te verblijven. Vervolgens gaan we nog een weekje of zes naar Sulawesi om ons daarna klaar te maken voor onze ‘vakantie’ naar Nederland. We hebben er weer zin in de familie weer te zien en bijvoorbeeld eens lekker door de Albert Hein te lopen. Maar begrijp ons niet verkeert, want half november vliegen we weer heel graag naar Azië om onze reis voort te zetten.

 

<Vorige weblog>

Go back to home pageGo to Articles sectionGo to Columns sectionGo to Photos sectionGo to countries sectionGo to weblog sectionGo to about us